Muizenplaag op Sumba

Van November 1977 – Februari 1980 werkten Roelie en ik in Indonesie op het eiland Sumba voor de zendingsorganisatie (SOS – Steun Oost Suma). Het was onze taak landbouwkundige ondersteuning te bieden aan de vrijgemaakte kerken van Oost Sumba. In de twee jaar en drie maanden dat we daar hebben gewerkt hebben we veel meegemaakt. Mooie dingen en moeilijke dingen. We startten aan het begin van de regentijd. Dit eerste regenseizoen konden we nog niet veel anders doen dan de taal leren en onze weg vinden.

Voor het tweede regenseizoen had ik allerlei mais- en rijstrassen verzameld en besteld om proefvelden/demonstratievelden aan te leggen op Parai Puluhamu (“Plaats van de goede boodschap” helemaal rechts op Sumba) en uit te zoeken wat de beste rassen voor onze regio zouden zijn, welk plantverband het beste paste, welke bemesting het meest rendabel was e.d. Dit leverde zeer waardevolle informatie op voor het vervolg van het landbouwprogramma. Maar een muizenplaag dreigde roet in het eten te gooien. Ik was al gewaarschuwd door de lokale bevolking. Er zou wel eens een muizenplaag kunnen komen.

Een flinke muizenplaag zorgt voor hongersnood, daar de muizen dan zo’n beetje alles opeten wat los en vast zit. Ik hoorde dat bij een vorige muizenplaag zelfs de electrische bedrading van de jeep was doorgeknaagd. Men hield mij op de hoogte van de ontwikkeling van de plaag. “Tuan, de muizen zijn al in Nguru Muni – 12 km verderop. Het zal nu nog maar een dag of 3 duren en dan zijn ze bij ons.” Men vertelde mij dat zo’n front van de plaag oprukt met een paar kilometer per dag.

Ik zie me zelf daar nog door de proefvelden lopen met een gebed “Here God, het kan toch niet Uw bedoeling zijn dat die muizen nu het werk van een heel jaar opeten (het volgende regenseizoen zou er pas een tweede kans zijn)! Ik heb nu toch echt Uw hulp nodig. Als U echt mijn Vader in de hemel bent en een bedoeling met onze aanwezigheid hier hebt, dan is dit het moment om in te grijpen”.
Iets in die richting was mijn gebed terwijl ik door die velden liep. Bij een echte muizenplaag vreten die diertjes vooral ’s nachts het binnengedeelte van de percelen af. Bij elke stap hoor je gepiep. Ik wist niet wat me te wachten stond en of God ook iets kon doen aan iets groots als een muizenplaag. Ik kende God nog veel te weinig.

Na drie dagen kwam onze voorman met enkele aangevreten maiskolven. Het is zover tuan. De muizen zijn er. Ik onderging de mededeling gelaten. Wat kan je uitrichten tegen zo’n plaag. Een beetje pindakaas vergiftigen en onder een afdakje ergens plaatsen werkt wel op kleine schaal, maar voor zo’n plaag?
Maar het wonder gebeurde: Onze velden bleven als een eilandje gespaard.
In de omgeving was de oogst vernietigd of zwaar beschadigd, maar wij hadden feitelijk geen schade.
Ik was diep onder de indruk en uitermate gesterkt in mijn vertrouwen op God. Niet dat God je altijd maar op je wenken moet bedienen. Maar ik had wel gemerkt dat mijn Vader in de hemel de levende God is, die van ingrijpen weet als het Hem goeddunkt. Dat geeft vertrouwen in voor- en tegenspoed (dat hebben we ook meermalen meegemaakt).

Achteraf bezien had ik natuurlijk ook voor de buren moeten bidden. Ik vraag me af of ik dan Gods antwoord wel had opgemerkt. Dan leek het immers of er niets was gebeurd. Maar nu onze velden als een eilandje zijn gespaard, is het verhaal wel duidelijk!
Omdat de oogst om ons heen bij de meeste mensen was mislukt heb ik in overleg met de lokale leiders op andere gedeelten van het eiland Sumba, die niet getroffen waren, rijst ingekocht om voor een zachte prijs te verkopen aan de mensen die een hongertijd tegemoet zagen.