Parel

Elke maand hoop ik hier een stukje te plaatsen dat ik net heb gelezen en dat volgens mij iets bijzonders heeft.

2021 Oktober – De brief aan Diognetus

Deze brief is een christelijk geschrift uit de tweede eeuw, AD 130-200.
De schrijver is onbekend, maar wel een volgeling van Jezus Christus. Hij schrijft aan Diognetus, die waarschijnlijk een vertegenwoordiger van de Romeinse overheid is en onbekend met het christendom. Met name hoofdstuk 5 vind ik treffend en leerzaam voor onze tijd.

Hoofdstuk 5.

  1. Want Christenen onderscheiden zich niet van de mensheid qua woonplaats, wijze van spreken of gewoonten.
  2. Want zij wonen niet ergens in hun eigen steden, ook gebruiken zij geen andere taal, of oefenen een bijzondere manier van leven uit.
  3. Ze hebben ook geen ‘uitvinding’ gedaan, ontdekt door enige intelligentie of studie van geleerde mannen. Ook zijn het geen meesters van wat voor menselijk dogma dan ook, zoals sommigen dat zijn.
  4. Maar terwijl zij in steden van de Grieken en Barbaren wonen, zoals het lot hen dat heeft toebedeeld, daar volgen ze de plaatselijke gebruiken qua kleding en voedsel en de andere dagelijkse bezigheden. Toch is de grondwet van hun eigen burgerschap, zoals zij die belijden, wonderbaarlijk, een belijdenis boven elke verwachting.
  5. Ze wonen in hun eigen landen, maar alleen als gasten. Ze dragen in alles bij als gewone burgers, maar zij verdragen alle lasten van het vreemdeling zijn. Elk buitenland is als een vaderland voor hen, en elk vaderland is een buitenland.
  6. Zij trouwen net als alle andere mensen en krijgen kinderen, maar zij werpen hun nakomelingen niet weg.
  7. Zij delen hun maaltijden, maar niet hun vrouwen.
  8. Zij zijn gewoon in het vlees, maar leven toch niet volgens de vleselijke natuur.
  9. Hun bestaan is op aarde, maar hun burgerschap is in de hemel.
  10. Zij gehoorzamen de vastgestelde wetten, en zij gaan die wet met hun eigen levens te boven.
  11. Zij houden van alle mensen, en zij worden door iedereen vervolgd.
  12. Ze worden genegeerd, en toch worden ze veroordeeld.
    Ze worden gedood, en toch begiftigd met het leven.
  13. Ze zijn aan de bedelstaf, en maken toch velen rijk.
    Ze zijn in alles behoeftig, en hebben toch overvloed in alle dingen.
  14. Zij worden onteerd, en toch zijn zij prachtig in hun oneer.
    Er wordt kwaad van hen gesproken, en toch zijn ze gerechtvaardigd.
  15. Ze worden uitgescholden, en ze zegenen,
    ze worden beschuldigd, en zij houden respect.
  16. Goeddoende worden zij als boosdoeners bestraft.
    Gestraft wordend zijn zij blij, alsof zij daardoor tot leven gewekt worden.
  17. Er wordt oorlog met ze gevoerd door de Joden, alsof het buitenaardse wezens zijn, en er is voortdurende vervolging van hen onder de Grieken.
    En toch kunnen zij die hen haten niet vertellen waarom zij hen haten.

Hoofdstuk 6.

  1. In één woord, wat de ziel voor het lichaam betekent, dat betekenen de Christenen voor deze wereld.